Mijn oma en opa woonden ook op de Sloterbeekstraat. Ze hadden een enorm groot huis, wat met 14 kinderen ook wel nodig was. Niemand kon zo vlug aardappelen schillen als mijn oma! En als je er als kleinkind op bezoek was, gaf ze je het gevoel, dat je haar enige kleinkind was. (Ze had er meer dan 60!) Oma gaf ons een cent voor iedere vlieg, die we met de hand vingen. Ze waren voor de goudvissen in haar vijver een luxe maaltijd.
Op de plaats stond de „wortelebak“ (net een bad, maar dan van cement). Als er net geen groente in gewassen moest worden, dan hadden wij kinderen „ploensplezier“!
Tussen de Krekelveldstraat en Sloterbeekstraat in was een groot terrein, waar met Sintermerte altijd de „troshoop“ stond. Ik vergeet die spannende momenten niet: de jongens met hun wieriksbus, een blik met gaatjes op de bodem, twee gaatjes aan de rand en een draad erdoorheen om dat ding met brandend gedoe erin (bladeren, hout, turf, zaagselkrullen) rond te kunnen draaien. Een lap om de draad heen beschermde de handen.
Als we na het afbranden van de troshoop naar huis kwamen, had onze mam lekkere oliebollen gebakken!
Een fantastisch teamkarakter bewezen wij kinderen van de Sloterbeekstraat, Antoniusstraat en de Sloot, als we in ploegen tegen elkaar de spannendste gevechten leverden.
Maar niet te vergeten het genot van rolschaatsen op de Emmastraat. In géén enkele straat in de hele buurt kon je zo fijn rolschaatsen. Wat was het er vaak druk!